Op basis van observatie

Gepubliceerd op 19 juli 2026 om 12:13

Dit artikel uit 2001 beschrijft hoe je wetenschap zou moeten bedrijven als je serieus rekening wilt houden met de mens als waarnemer. Het is sindsdien voor mij een leidraad gebleven voor elk onderzoek dat ik doe. Het oorspronkelijke artikel was in het Engels, waarbij de Engelse tekst destijds werd verfijnd door M.R.M. Parrott. Vanwege het 25 jarig bestaan van het artikel heb ik het door AI tools laten vertalen naar het Nederlands. De vertaling is zeer getrouw. Ik hoefde zelf niet veel meer bij te schaven. Ik zie uit naar terugkoppeling van lezers.  

INLEIDING

Ontwikkelingen binnen de theoretische natuurkunde gedurende de vorige eeuw roepen nog steeds filosofische vragen op. Dat komt niet alleen door de uitkomsten van baanbrekende wetenschappelijke experimenten, maar ook door de wijze waarop deze uitkomsten tot stand zijn gekomen. Het betreft hier een vraagstuk van wetenschappelijke methodologie, en meer specifiek een methodologie die subtiel wordt ondermijnd door de rol van de waarnemer, zowel binnen de relativiteitstheorie als binnen de kwantummechanica.

Er is betoogd dat de waarnemer een bepalende rol speelt in het proces van wetenschappelijke experimenten. Hoewel verschillende theorieën zijn ontwikkeld om de rol van de waarnemer te beschrijven, bestaat er reden om te twijfelen aan de verenigbaarheid van dergelijke opvattingen met een consistente wetenschappelijke methodologie. Het doel van dit essay is te betogen dat deze theorieën niet zijn gebaseerd op de aard van de menselijke geest noch op de aard van menselijke waarneming zelf.

De taak is daarom eerst de algemene rol van de menselijke geest in het proces van waarnemen te beschrijven. Daaruit kan vervolgens de specifieke aard van methodologische waarneming worden afgeleid, met betrekking tot de geldigheid van wetenschappelijke wetten.

Om dit te bereiken wordt een bouwwerk opgesteld bestaande uit een beperkt aantal axioma's die de processen binnen de menselijke geest beschrijven. Uit deze axioma's wordt vervolgens een reeks proposities afgeleid. Door hun inhoud vormen deze proposities een algemeen sjabloon, een verzameling basisregels voor wetenschappelijke methodologie.

Het systeem wordt nadrukkelijk gepresenteerd als een open systeem, dat door zijn structuur ruimte biedt aan verdere kritiek en verbetering.

AXIOMA'S VAN PROCESSEN BINNEN DE MENSELIJKE GEEST

Axioma 1: Elk deel van het universum dat onafhankelijk van andere entiteiten kan worden waargenomen, is een fysieke entiteit (FE).

Axioma 2: Interacties tussen fysieke entiteiten zijn fenomenen.

Axioma 3: Twee of meer fysieke entiteiten vormen samen een systeem.

Axioma 4: De menselijke geest is een systeem.

Axioma 5: Een representatie is een onderdeel van de menselijke geest (een subsysteem).

Axioma 6: Representaties die niet verwijzen naar een fysieke entiteit of fysiek fenomeen buiten de menselijke geest, zijn Interne Representaties (IR's).

Axioma 7: Representaties die verwijzen naar een fysieke entiteit of een fysiek fenomeen zijn Externe Representaties (ER's).


PROPOSITIES OVER DE ROL VAN DE GEEST BIJ WAARNEMING

Propositie 1: Representaties die met elkaar verbonden zijn, vormen een uitspraak.

Propositie 2: Uitspraken kunnen bestaan uit IR's, ER's of een combinatie van beide.

Propositie 3: Uitspraken die uitsluitend uit ER's bestaan, zijn externe uitspraken (EU's).

Propositie 4: Waarneming is een interactie van het menselijke systeem met fysieke entiteiten of fenomenen waarnaar de ER's in een EU verwijzen. Op deze wijze worden de relaties tussen de ER's die in de EU worden beschreven getoetst.

Toelichting: Dit volgt uit ervaring en is falsifieerbaar. Men observeert nooit afzonderlijke fysieke entiteiten; men toetst altijd relaties tussen fysieke entiteiten.

Propositie 5: Bewijs dat een afzonderlijke representatie een ER is, kan niet worden verkregen.

Toelichting: Waarneming toetst relaties tussen ER's. Een enkele ER bevat geen relatie en kan daarom niet zelfstandig worden waargenomen.

Hulp-propositie 5a: Bewijs dat een uitspraak een externe uitspraak (EU) is, ontstaat door waarneming.

Hulp-propositie 5b: Bewijs dat een representatie een ER is, volgt uit bewijs van de EU waarvan deze ER deel uitmaakt.

Opmerking: Een ER kan niet als geïsoleerde fysieke entiteit worden bewezen.

Voorbeeld: wanneer een wetenschapper een virus isoleert, bewijst dit nog niet dat de representatie "virus" een ER is. Pas wanneer wordt waargenomen dat dit virus onder bepaalde omstandigheden op specifieke invoer reageert met een bepaalde uitvoer, wordt het virus als ER bevestigd binnen die context.

Propositie 6: Een representatie kan behoren tot een klasse van representaties.

Propositie 7: Een klasse van representaties is zelf een representatie.

Propositie 8: Een wet is een klasse van externe uitspraken (EU's).

Toelichting: De functie van een wet is het ondersteunen van een bepaalde externe uitspraak. Om uitsluitend uit ER's te bestaan, moeten alle mogelijke uitspraken binnen die klasse verifieerbaar tot dezelfde klasse behoren.

Propositie 9: Bewijs dat een externe uitspraak een wet vormt, ontstaat door Methodologische Observatie (MO).

Toelichting: Een enkele observatie is onvoldoende om een wet vast te stellen. Verschillende observaties binnen dezelfde klasse moeten worden vergeleken.

Propositie 10: Om observaties vergelijkbaar te maken, moeten alle beschrijvingen van observaties worden uitgedrukt in termen die onafhankelijk zijn van de observatie zelf.

Toelichting: De beschrijving moet zodanig zijn dat elke mogelijke observatie dezelfde begrippen kan gebruiken zonder aanpassing van die begrippen.

Propositie 11: De eigenschappen van ruimte en tijd zijn invariant onder alle externe uitspraken die tot dezelfde wet behoren.

Toelichting: Dit volgt uit proposities 8, 9 en 10. Omdat ruimte- en tijdseigenschappen worden gebruikt om relaties tussen fysieke entiteiten te beschrijven, moeten deze eigenschappen onveranderlijk blijven indien observaties binnen dezelfde wet vergelijkbaar willen zijn.

Opmerking 1: Hieruit volgt dat absolute ruimte en absolute tijd voortkomen uit de eigenschappen van de menselijke waarneming zelf. Alleen onder absolute ruimte en tijd zijn observaties methodologisch vergelijkbaar.

Opmerking 2: Methodologieën mogen daarom niet toestaan dat eigenschappen van ruimte en tijd afhankelijk worden gemaakt van een specifieke observatie.


Propositie 12
: Een wet is een representatie.

Propositie 13: Wil een wet deel uitmaken van een systeem van wetten, dan moet iedere ER uit een EU behorende bij die wet ook kunnen voorkomen in een EU behorende bij een tweede wet die niet logisch uit de eerste wet volgt. Dit geldt voor alle ER's binnen die uitspraak.

Toelichting: Wanneer een representatie uitsluitend betekenis heeft binnen één specifieke wet, dan blijkt zij geen echte externe representatie te zijn maar een interne representatie. In dat geval kan de betreffende uitspraak geen externe uitspraak zijn en is de wet niet universeel geldig.

Propositie 14: De voorgaande systemen van axioma's en proposities zijn zelf representaties.

 

© 2001 — Peter Schuttevaar



Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.